Lees hier het juryrapport over Beckett Boulevard voor Het Theaterfestival 16

‘Beckett Boulevard’ van Compagnie De Koe –Willem de Wolf, Peter Van den Eede en Natali Broods-  vertelt een verhaal, zo min of meer dan toch, maar dat is slechts een kapstok om te tonen hoe de zoektocht naar ‘identiteit’ ons parten speelt. Haast terloops put hun script uit een brede intellectuele kennis, maar ze acteren vooral de pannen van het dak. Als het soms helemaal fout lijkt te gaan: schijn bedriegt, vooral hier. 

Ze noemen dit stuk zelf een ‘badly made play’. Toch is ‘Beckett Boulevard’ een slimme intrige rond een pas gescheiden stel acteurs. De vrouw, Broods, verklapt haar ex dat ze in de politiek wil gaan. Daarop geeft de man, De Wolf, haar een sarcastisch lesje politieke analyse. Pas dan krijgen ze een ober in de gaten die hen vaag bekend voorkomt. Als de man naar het toilet is raakt de vrouw ermee aan de praat en beseft ze dat het gaat om hun vroegere kompaan Peter. Of veinst zij –net als haar ex- die late herkenning? Waarom? Op het einde vallen de maskers en tonen de spelers hun ware gelaat . 

Het zou zowel voor een ‘comedy of errors’  als een psychologisch drama de gedroomde plot zijn, maar hier komt daar niets van in huis. De drie acteurs bederven het verhaal namelijk door er voortdurend wijdbeens voor te gaan staan. De ene keer om hun eigen sores breed uit te meten, de andere keer om te koketteren met ‘intertekstuele’ grapjes, met een sausje van slechte smaak erover. Een ‘eighties attitude’ waar de groep duidelijk nog steeds aan verslingerd is.

Je zou daar gemakkelijk over kunnen vallen. Dat zou jammer zijn, want al die onzin is het glijmiddel voor intrigerende, lastige vragen. Neem nu die ‘Beckett Boulevard’ van de titel. Natuurlijk denk je daardoor meteen dat dit stuk zich op dé Samuel Beckett inspireert. Maar dat spreken ze zelf tegen als ze al vroeg in het stuk helemaal uit hun rol vallen. Plots hebben ze het over zichzelf, alsof ze in een talkshow zaten. Volgens de regels van het genre kletsen ze maar raak, terwijl ze hengelen naar de aandacht van de kijkers. Op dat moment herinneren ze zich hoe ze ooit in Québec verdwaalden in een parkeergarage aan de Becckett Boulevard tot ze vastliepen op etage -9. Titel verklaard dus?

Toch niet, want hoe kan het moment dat ze vergeten dat ze een stuk spelen nu net de titel van het stuk opleveren? Is dat verhaal wel zo toevallig? Niet dus. Het is een moderne versie van Dante’s afdaling in de hel tot de negende kring.  Vraag blijft over welke hel het hier gaat? Twee monologen van Peter van den Eede, aan het begin en het einde van het stuk, maken dat duidelijk. In beide monologen praat hij met zijn spiegelbeeld om rust te vinden. De eerste keer lukt dat ook. De tweede keer daarentegen scheldt dat spiegelbeeld (een film geprojecteerd op de spiegel) hem uit als een vervalser die zijn eigen verleden misbruikt. Het is een fascinerende, briljante scène. Het spiegelbeeld eindigt met een gedicht van ‘jouw vader, toen die half zo oud was als jij nu bent’: ‘Tussen ons spant zich de rivier/en radelozer wordt het lopen/van hier naar daar/van daar naar hier’. 

Hier zie je haarscherp de inzet van het stuk: de zoektocht naar een identiteit, naar ‘roots’, naar iets dat onvervreemdbaar ‘ik’ mag heten. Die zoekt Van de Eede in een spiegel… Dat is precies de nagel waar Samuel Beckett in zijn hele oeuvre op sloeg. De typische Beckett-held is een man die zijn identiteit steeds verder ziet uiteenvallen. Hoe meer hij erover spreekt, hoe minder hij erin slaagt iets te zeggen. Een hellevaart waar Dante niets aan heeft. Precies wat van den Eede vaststelt: onze identiteit is een onvast gegeven. Elke ontmoeting met een ander, maar ook elk beeld in de media is als een vervormende spiegel, tot we niet meer weten wie we zijn.

Daarin zit het werkelijk bijzondere van het stuk: de spelers gebruiken hun eigen positie als publieke figuren om de hedendaagse, door media aangezwengelde, obsessie met identiteit zichtbaar te maken. Fake interviews met Jan Hautekiet en Tom Lenaerts tonen hoe televisie hun persoonlijkheid enorm uitvergroot. Dit stuk suggereert dat zoiets het enorm moeilijk maakt om een sterke identiteit te ontwikkelen, hoe vaak de media je ook aansporen om  ‘vooral jezelf te blijven’. Begin er maar aan.

Het is geen toeval dat Peter Van den Eede zich in dit verhaal verschuilt achter de rol van de ober. De ober is het prototype van een ‘publieke figuur’: iemand die iedereen aanspreekt en door iedereen kan aangesproken worden. De ober spreidt beroepsmatig hoffelijkheid en sociabiliteit tentoon. Hij speelt die dus, hij meent ze niet echt. Toch waarderen we het als een ober zijn rol met verve en waarachtigheid speelt, al beseffen we dat hij zo niets prijsgeeft van zijn identiteit. We zouden het zelf niet op prijs stellen als die ober ons daarmee zou belasten. Zijn spel is de olie die de sociale machine laat draaien. Toch vinden we het soort ‘eerlijk liegen’ dat samengaat met het sociale spel tegenwoordig vaak verdacht, merkte Richard Sennett al op in zijn klassieke studie ‘The fall of public man’. Liever chagrijnige oprechtheid dan een briljante sociale choreografie. Waarom toch? Die zielige zoektocht naar wie we echt zijn blijkt immers een bron van ongewilde confrontaties, kwetsende en overbodige ‘onthullingen’ en ander zielenleed. Dat zien we in ‘Becket Boulevard’, in uitvergrote vorm. Dat is ook de ‘moraal’ van de laatste woorden van Natali Broods: misschien was het beter als we zo eerlijk, zo fatsoenlijk mogelijk zouden liegen?